Ds. Izaäk Kievit VDM

Ds. I. Kievit (1887–1954)

Portret van ds. I. Kievit
Ds. I. Kievit (ingekleurde foto)

Over ds. Izaäk Kievit is veel bewaard gebleven, maar verspreid. Een deel heeft hij zelf geschreven, in zijn meditaties en in de berichten aan de lezers van het Gereformeerd Weekblad. Andere dingen worden nog verteld in de gemeente Baarn, waar hij bijna dertig jaar stond. De heer R.F. Rebel, die in Baarn opgroeide, heeft ze in een lezing over ds. Kievit verteld.

Izaäk Kievit werd op 8 november 1887 geboren in Oud-Vossemeer, op Tholen. Zijn vader, Leendert Kievit, was boerenknecht en had later een klein eigen bedrijf. Izaäk was de jongste van elf kinderen. Vier van hen stierven jong. Zijn ouders lazen thuis.

Bij zijn 25-jarig ambtsjubileum vertelde hij hoe het met hem begonnen was. Hij was nog geen tien jaar. Op een zondagavond werd thuis een preek van Hellenbroek gelezen, en daarna zongen ze Psalm 13 vers 3. Hij barstte in snikken uit en kroop onder de tafel, zodat niemand het zou merken. "Toen viel de vreze des doods op ons, en wij leden in het diepst van onze ziel dat we met een heilig en een rechtvaardig God van doen hebben. En deze les hield niet op."

Toen hij zeventien was, las hij de Institutie van Calvijn. Calvijn is hij zijn hele leven blijven lezen, in het Frans en het Latijn. Hij studeerde theologie in Utrecht, zes jaar bij prof. Visscher, die met de oudere studenten bij hem thuis Calvijn las.

Op 23 november 1915 trouwde hij met Johanna Klootwijk uit Papendrecht. Ze kregen vier kinderen. Vijf dagen na de bruiloft werd hij in Garderen bevestigd door ds. K.J. van den Berg uit Putten. Van die zondag schreef hij later: "De Zondagmorgen met zijn sneeuw en ijs was toch warm in den dienst des Heeren door den adem van Gods liefde."

In Garderen preekte hij op een dankdag over de woorden: "Gij dwaas, in dezen nacht zal men uwe ziel van u afeisen." Onder die preek moest hij zelf voor God erkennen dat hij de eeuwige verdoemenis verdiende. "Maar daar wij dachten neer te storten in de hel, ving Jezus ons op." Van die tijd af ging, zoals hij het zei, eigen werk en eigen vroomheid overboord.

Na Garderen stond hij in Benschop. Die gemeente had de naam lastig te zijn. Twintig jaar later schreef hij: "Zo spreken alléén die het niet kunnen dienen. Neen, het is een leraarlievende gemeente, die alles voor ons over had."

Daarna kwam Lunteren. Daar kwamen zoveel mensen naar de kerk dat ze verbouwd moest worden. Toen de kerk bijna klaar was, ging hij de kansel op om de klank te proberen. Hij vertelde het later zelf, zonder zijn naam te noemen: "Een kerk was bijna gereed en een metselaar stond op een stelling in de kerk te arbeiden. De dienaar des Woords kwam kijken en beklom den kansel. Wat zou hij zeggen om eens te horen hoe de klank was in het gebouw? Hij sloeg den bijbel op en las: Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt ons van alle zonden. Die metselaar liep onder het oordeel." En toen: "het werd als was het dak van de Kerk afgenomen en vrede daalde in zijn ziel." In Baarn wist men later dat die dienaar des Woords Kievit zelf was, en dat hij en de metselaar daarna samen in de kerk hebben gehuild.

Hoe hij in Baarn kwam, wordt daar nog steeds verteld. Er woonde een jonge vrouw, Jansje Zondag. Haar ouders gingen nergens naar de kerk. In 1909, toen zij negentien was, kwam haar broertje van negen onder de trein. Bij dat bericht werd zij schuldig voor God, en God heeft haar daarin ook vergeving geschonken. In 1923 hoorde zij Kievit preken in Soest, over Psalm 40. Die preek liet haar niet los, en ze ging bidden of de Heere deze dominee aan Baarn wilde geven. Dat heeft maanden geduurd. In hetzelfde jaar zei Kievit in Lunteren tegen zijn vrouw dat er iemand in het land was die hem vasthield aan Gods troon.

In Baarn kwam toen een predikantsplaats vrij. De kerkenraad besloot twee predikanten te beroepen: één voor de vacature, en één voor de mensen die om een gereformeerde dominee vroegen. Die mensen moesten dan wel zelf voor zijn traktement en een pastorie zorgen, en hij mocht maar één keer per zondag preken. Zo kwam Kievit in 1923 naar Baarn.

Jansje Zondag is vóór 1935 gestorven. Kievit heeft toen zelf een bundeltje van haar gedichten uitgegeven, de Pelgrimszangen, met een levensbeschrijving erbij. Hij noemde het "een weemoedige taak, maar toch een werk van zielsgenot". Over haar gedichten schreef hij: "Hier is goud van Ophir. Bezongen wordt het persoonlijk gemeenschapsleven met God drieëenig." En over haar: "Zij was theologe bij de gratie Gods."

Het begin in Baarn was moeilijk. Op zijn eerste zondag zei hij tegen de kerkenraad dat zij die morgen onder een valse leer hadden gezeten. Hij kreeg lange tijd geen eigen kerkenraad, en vaak kwam hij alleen uit de consistorie.

Wie hem in Baarn gekend hebben, vertelden dat hij lopend naar de kerk ging, met zijn hoofd naar beneden. Zijn vrouw en kinderen kwamen apart. In de kerk knielde hij eerst voor de kansel. Zijn Bijbel en zijn zakdoek legde hij op de derde trede. Eens bleef hij zo lang op zijn knieën liggen dat de mensen hem hoorden huilen. Hij had een korte schets bij zich, maar die liet hij vaak onder zijn Bijbel liggen. Bijna iedere preek huilde hij. Dan nam hij onder het spreken zijn bril af, maakte die schoon en zette hem weer op.

Als iemand in de gemeente tot vrijheid kwam, maakte hij dat van de kansel bekend, met het adres erbij, en dan zei hij: ga daar maar eens luisteren. "Als God het laat regenen, dan kan het ook nog wel eens gaan druppen." Eens preekte hij over Ruth, en een jongen van achttien zat te huilen in de kerk. De volgende morgen belde de dominee bij hem aan. De jongen wilde zijn moeder roepen, maar Kievit zei: "Nee jongen, ik heb jou nodig. Wat is er gisterenmorgen in de kerk gebeurd?" En hij wilde weten of hij Moab wel verlaten had.

Hoe hij vond dat er gepreekt moest worden, heeft hij zelf beschreven. In 1935 hield hij er een lezing over voor studenten en predikanten, die hij daarna als reeks in het blad zette. De prediking moet volgens hem "uitlegging en toepassing van het Woord Gods" zijn, en dan "voorwerpelijk-onderwerpelijk". Daarmee bedoelde hij: eerst wat God in Zijn Woord zegt en in Christus gedaan heeft, en daarmee verbonden hoe dat in het hart van Gods kinderen wordt beleefd. Niet het een naast het ander, maar samen, en het eerste voorop.

Een prediker moest daarom zelf kennen wat hij preekte. "De rechte prediker is geen brievenbesteller, die onkundig is van den inhoud van den overhandigden brief." En met Calvijn: "De waarheid Gods moet ons in de ingewanden zijn gezonken." Maar bevinding mocht nooit los van de tekst komen te staan. "Wee onzer als we er maar op los praten, wat bevinding bijeenrapen! Als de vraag ons wordt voorgelegd: is dat nu de mening des Geestes, is dat nu de sprake Gods in dezen tekst, kunnen we dan ja zeggen? Indien niet, zo is ook het 'amen' aan het einde van de preek een leugen." De toepassing bewaarde hij daarom niet voor het eind, maar verwerkte hij liever door de hele preek heen. Ze moest doordringen "tot hoofd, hart en hand".

In Baarn noemde men zijn prediking heilsordelijk. Pasen wordt pas beleefd als eerst Goede Vrijdag beleefd is, en Kerst als eerst Advent geweest is. De weg die de discipelen gingen, is de weg van Gods kerk nog steeds. Hij zei wel: als je vraagt om het vijfde deel, vraag dan eerst of je het vierde deel wel kent. Het is eerst de korrel, dan het sprietje, dan de aar, en dan het volle koren in de aar. Zijn preken begonnen bij de eeuwigheid, want daar ligt de grond: in Gods raad en in Christus.

Hij sprak de verschillende hoorders aan. Hij zocht de "zuigelingen", de mensen bij wie het pas begon, om hun de melk van het Woord te geven. Hij sprak tot de jongeren in de genade, opdat zij zouden opwassen. En hij sprak tot hen die al vrijgesproken waren. Tegelijk sprak hij de onbekeerden ernstig aan, en dan heel direct: "Mijn lezer! paai u toch niet met een hoopje, maar bidt den Heere of Hij u bekeren wil."

Christus zomaar aanbieden, zodat de zondaar Hem kon grijpen, deed hij niet. De zondaar krijgt volgens hem eerst te doen "in de trekking des Vaders met den Vader als Rechter". Pas als door die trekking "onze ziel wordt ontbloot, leren wij verstaan, dat wij met God bevredigd moeten worden". Wie zei: "Uit de algemene aanbieding moet men besluiten: het is dus ook voor mij", zonder ontdekking aan zichzelf, wees hij af. Toch hield hij de onbekeerden wel voor dat zij leefden "onder het aanbod van genade", en dat de Heere nog riep: "Wendt u naar Mij toe!"

Hij kon scherp zijn, en ook wel dominant over zijn gemeenteleden. Maar ze vertelden ook andere dingen. Een jongen die met een gebroken arm uit school kwam, nam hij achter op de fiets mee naar het ziekenhuis. "Ga maar hardop psalmen zingen, en hoe harder je zingt, hoe minder pijn je hebt." Aan een paar meisjes die buiten speelden, vroeg hij of ze wel eens baden. Eén zei dat het niet mocht van haar moeder. "Wel doen hoor, en ook voor je moeder bidden." En toen hij eens iemand niet thuis trof, liet hij een briefje achter: "Helaas trof ik u niet thuis, maar ik heb onder de mat gekeken en daar was het ook schoon."

In zijn meditaties schrijft hij weinig over zijn eigen gezin, maar soms hoor je het. In een overdenking over Psalm 121, over de Bewaarder Israëls die niet sluimert, schreef hij: "We weten het toch aan onze kinderen, als ze klein zijn … we hebben gezegd: ga nu maar lekker slapen, kind. Maar we horen het wel, dat ze niet gaan slapen… Hoor, daar komt het eruit: nog wat drinken. Ja, maar dan gaan slapen… daar vallen ze in slaap. Zie, als we dan niet kunnen slapen, vraag dan Israëls Bewaarder wat te drinken uit de heilsfontein."

Hij vertelt ook over de mensen die hij bezocht. Over een oude vrouw uit zijn eerste gemeente, die arm was en veel verdriet had. Hij vroeg haar of zij de dood nu niet als een welkome bode ging zien. "Neen," zei ze, "niet sterven… het leven is zo zoet!" Hij schreef erbij: "Arme mens! Het leven is niet zoet zolang de bitterheid des doods er niet uit weg is genomen, door den dood van Christus en zijn bloed. Alleen dat leven is zoet!" Hij stond ook aan het bed van mensen die stierven. Van iemand die in grote pijn lag, hoorde hij: "God drieëenig is mijn deel." Van een ander moest hij zien dat hij stierf zonder de Borg te kennen. "Welk een taak met stervende mensen te verkeren," schreef hij. "Wie zal trouw worden bevonden?"

In de zomer van 1930 werd hij zelf ernstig ziek. De avond voordat hij in Hilversum geopereerd werd, kwam ds. Van den Berg nog laat bij hem in het ziekenhuis. In de tijd van zijn ziekte kwam Van den Berg ook de catechisaties in Baarn voor hem waarnemen. Toen Van den Berg in 1949 afscheid nam, schreef Kievit hem in het blad: "het is mij een behoefte Ds van den Berg hartelijk dank te zeggen voor hetgeen hij voor mij deed." Hij herinnerde hem eraan dat Van den Berg hem al in Garderen aan het schrijven had gezet.

Vanaf 1931 was hij redacteur van het Gereformeerd Weekblad. Hij schreef zo eenvoudig als hij kon: "Over het algemeen stel ik mij den doorsnee-lezer voor op het niveau van mijn doorsnee-catechisanten." Bij zijn jubileum in 1940 kreeg hij honderden brieven en een gift van de lezers. "Het was meer dan wij konden verwerken en wij werden erdoor verbroken." In maart 1941 werd het blad door de bezetter stilgelegd. Toen het in november 1945 weer mocht verschijnen, schreef hij dat hij de pen "met schroom" weer opnam: "liever hadden wij het werk aan de jongere ambtsbroeders overgegeven." En bijna altijd vroeg hij zijn lezers: "Gedenk ons in uwe gebeden, want zonder dien band des gebeds en der liefde zou het werk te zwaar zijn."

Hij schreef ernstig, maar er is ook veel blijdschap in zijn werk. "We kunnen lachen in onzen slaap als wij over den hemel en onzen oudsten Broeder dromen," staat in een meditatie uit 1937. In december 1949 schreef hij over de geboorte van Izaäk, de naam die hij zelf droeg, en over het woord van Sara: "God heeft mij een lachen gemaakt." Hij schreef erbij: "Het is een erbarmelijke nederigheid, die zich schaamt om hare blijdschap in den Heere te erkennen. Laat ons onze vreugde uitspreken en zingen."

In 1952 moest hij om zijn gezondheid stoppen met preken. Hij overleed op 4 juni 1954 in Dordrecht en werd op 9 juni in Baarn begraven.

Vaak besloot hij een preek met dit versje:

Wie niet de vloek der zonde kent,
hoe zou hij om vergeving smeken?
Al wordt het kruis hem ingeprent,
het is voor hem geen reddingsteken.
Al roept hij luid: de Heer maakt vrij,
het is ijdele taal of huichelarij.

Levensloop in het kort

Over de teksten

De teksten op deze site komen uit het Gereformeerd Weekblad. De spelling is aangepast aan de huidige spelling. De woorden van ds. Kievit, ook de oude naamvallen, zijn zo veel mogelijk bewaard gebleven.


Bronnen: Gereformeerd Weekblad 1931–1950, o.a. "Pelgrimszangen" (18 mei 1935), "Voorttrekken" II (26 jan. 1935), "Welbewaard en veilig geleid" (4 jan. 1936), "Waardig en waar?" (1 aug. 1936), "De sprake des bloeds" I (19 juni 1937), "Lichte verdrukking" II (27 nov. 1937), "De steniging van Stephanus" IV (16 juli 1938), "Afscheid, bevestiging en intrede" (2 sept. 1939), "Aan de lezers" (7 dec. 1940 en 17 juli 1948), "Mededeling" (3 nov. 1945), "3 October 1909 – 3 October 1949" (15 okt. 1949), "De lachverwekker" (17 dec. 1949); de jubileumpreek van 1940; "Voorwerpelijke-onderwerpelijke prediking, eis der Heilige Schrift" (aug.–okt. 1935); de lezing van de heer R.F. Rebel over ds. Kievit; Genealogie Online (Voorouders in het Eemland).